Vacht & Vachtverzorging
Hierover is veel te doen. Meestal krijgt de puppiekoper advies mee van de fokker van zijn of haar hond bij het ophalen van de pup. Als er gekozen is voor een kortharige, gladharige of stokharige hond dan zijn deze adviezen meestal wel makkelijk op te volgen en zal de hond buiten de periode van rui geen of weinig onderhoud vergen. Bij andere vachttypes zal dit anders zijn, temeer daar er een verschil zit tussen het vachtonderhoud van een showhond (dit is meestal wat de fokker uitlegt) en het gepaste onderhoud voor een huishond (want laten we eerlijk zijn, dat is ruim 90% van ons hondenbestand).
Laten we eerst de vacht van de hond eens bekijken en dan beginnen we natuurlijk met de haren. We kennen bij de hond 3 soorten haar: dekhaar, wolharen en de sinusharen. Het dekhaar heeft als belangrijkste kenmerk dat het een haarmerg heeft waarin zich (o.a.) de pigmentkorrels bevinden, de buitenkant van de dekharen zijn afgesloten door haarschubben die in een normale situatie het merg beschermen voor invloeden van buitenaf.
Ook zijn de dekharen verbonden met een klein spiertje dat ervoor zorgt dat de dekharen overeind gezet kunnen worden bij extreme kou (isolatie) of bij gevaar (het groter doen lijken). Wij zien dit overeind zetten van de haren als "borstelen" en dit is het beste te zien over de nek- en rugpartij van de hond. De dekharen groeien enkel vanuit een haarschacht en zijn via de haarwortel verbonden met de haarpapil die het dekhaar voorziet van voeding.
De wolharen worden ook wel eens vellusharen genoemd, in gewone termen noemen we de wolharen tezamen ook wel ondervacht. Deze wolharen hebben geen merg en zijn dan ook doffer van kleur en zachter van structuur. Ze groeien met meerderen rondom de dekharen en komen uit dezelfde haarschacht als het dekhaar. Ze zitten echter niet zo vast verankerd in de haarschacht als de dekharen.
De derde haarsoort is de sinushaar. Dit is een haar die verbonden is met het zenuwgestel en ze worden ook wel tastharen genoemd. Ze zijn niet alleen verbonden met een haarspiertje maar ook met gevoelszenuwen die de waarnemingen van de sinusharen (trilling bijvoorbeeld) doorgeven aan het centrale zenuwstelsel. De sinusharen zijn makkelijk te herkennen door hun harde en glanzende structuur. Ook zij worden gevoed vanuit een haarpapil.
De sinusharen groeien solitair en zijn ook niet omgeven door wolharen, we vinden ze vooral rondom het hoofd van de hond met de grootste concentratie op de bovensnuit. Om de haren glanzend en soepel te houden, bevindt zich in de haarschacht een uitstulping waarin zich de talgklier bevind. Deze talgklier produceert talg dat het haar soepel, weerbestendig en glanzend houdt.
Als we nu de haren hebben gehad
dan komen we automatisch bij het verharen, oftewel de levenscyclus
van het haar. Allereerst de technische verklaring van wat er nu
eigenlijk gebeurt tijdens het "leven" van het haar. Haren groeien
tot hun genetisch bepaalde lengte, sterven af en vallen uit, waarop
vervolgens de hele cyclus opnieuw begint. Oftewel, het haar groeit,
het schuift naar boven door de haarschacht en wordt gevoed via de
wortel door de haarpapil, deze periode noemen we: anagen.
Vervolgens maakt de haarpapil zich los van de haarwortel, zodat
de haar niet meer gevoed wordt vanuit deze haarpapil. Dit proces
noemen we: catagen.
Nu bevindt zich het haar in een
rustfase, het heeft zijn (genetische) lengte gehaald en blijft in de
haarschacht zitten, het haar in deze fase noemen we ook wel "club"-haar.
Wat we zien, is een hond in zijn "volle" vacht. Deze fase noemen we:
telogen.
Vervolgens wordt de haarpapil
weer actief en begint met de productie van een nieuwe haar die
vervolgens de "club"-haar uit de haarschacht duwt, we noemen dit:
vroege anagen.
Het verharen vindt dus plaats tijdens de vroege anagen. Deze periode wordt weer beïnvloed door licht en temperatuur (als belangrijkste factoren) en de hormonale huishouding van de hond. Alle haren, en dus alle vachten, kennen deze levenscyclus van het haar en dus ook de verhaarperiode. Hoe dit gebeurt en wat wij ervan zien, hangt af van het vachttype en het type verharing.
De verharingstypes die we kennen zijn: blokverharing, bandverharing en mozaïekverharing. Bij de blokverharing (die bijna gelijk is aan de bandverharing) is de vroege anagen gelijkgesteld, hetgeen dus inhoudt dat de vacht over grotere gedeeltes van het lichaam in een relatief korte periode uitvalt. Typische secties die we hierbij kunnen herkennen, zijn de zijkanten van het lichaam, de nek en hals, de rug en de achterkant van de hond. Daarin zit ook het verschil in de benaming van blok- en bandverharing. We kunnen bijvoorbeeld de zijkanten makkelijk aanduiden als een blok terwijl de nek- en halsregio meer een band is.
Bij de mozaïekverharing is de periode van de vroege anagen niet zo gelijkgesteld en geschiedt het verharen willekeurig over het gehele lichaam als de cyclus van het haar compleet is en we aangekomen zijn in de periode van de vroege anagen. Als we gaan kijken naar de haarsoorten dan kunnen we zeggen dat de sinusharen altijd verharen via het mozaïekpatroon en dat het van het vachttype afhangt hoe de dek- en wolharen verharen, blok-/bandverharing of mozaïekverharing.
Vachttypes
Vachttypes, de term is al een paar keer gebruikt, is het type vacht dat we op een hond zien en wat volgens de rasstandaard gevraagd is. Bij de indeling van de vachttypes wordt meestal gebruik gemaakt van de indeling die Prof. Dr. E. Seiferle heeft gemaakt. Deze was verbonden aan de universiteit van Zürich als hoogleraar. Alhoewel zijn indeling al dateert vanuit de vorige eeuw wordt er heden ten dage nog steeds gebruik van gemaakt. Bij zijn indeling van de verschillende vachten gaat Seiferle ervan uit dat het vachttype, zoals we dat zien op bijvoorbeeld een Duitse Herder, het originele vachttype van de voorvader van de hond is (de wolf) en dus ook het originele vachttype van onze honden.
De verdere indeling van de types gebeurt op basis van de ratio van dekharen en wolharen en de structuur van de vacht in zijn algemeen. Op zich is deze indeling zeer bruikbaar maar schiet op een aantal punten toch tekort als we kijken naar het aanbod van de hedendaagse rassen en de ontwikkelingen die de vachtverzorging heeft doorgemaakt.
Laten we beginnen bij het origineel: de vacht van de wolf. Als we kijken naar deze vacht is de benaming van stokhaar te algemeen met name als we kijken naar de "triads", dit zijn "groepjes" van dekharen, dan zien we dat bij de wolf de concentratie van triads veel hoger is dan bijvoorbeeld bij de Duitse Herder en dan ook met name in het liesgedeelte en aan de buikzijde bij de melklijsten van de hond. Ook de ratio van dek- en wolharen is anders, er bevinden zich veel meer wolharen om de dekharen.
Als we gaan kijken waar we zulke vachten tegenkomen bij de rashonden dan komen we uit bij de Poolhonden en de hybriden (Saarloos Wolfhond en de Tsjechoslowaakse Wolfhond). Vooral 's winters is er bij deze rassen een dichte uitstaande vacht te zien waarbij het moeilijk is zo maar op de huid te kijken. Door de hoeveelheid wolharen staan de dekharen van het lichaam af hetgeen voor een optimale isolatie zorgt. 's Zomers zijn deze vachten bijna gelijk aan die van de Duitse Herder in wintervacht, dus we zien nog steeds meer wolharen tussen de dekharen en sowieso meer haar (dek- en wolharen) over de gehele hond.
Nu noemde Seiferle de vacht bij de Duitse Herder stokharig, dus als we de vacht van het origineel (de wolf) Nordic Stokhaar noemen dan ligt in de lijn der verwachting, als we dit verder doorvoeren, dat we dan we de volgende indeling krijgen:
Dubbele kortharige
vachttypes
Nordic Stokhaar: zoals al gezegd de meest originele vacht bij de hond. We zien een uitstaande vacht over nagenoeg het gehele lichaam, dit komt door de rijkelijk aanwezige wolharen door de gehele vacht. Het natuurlijke vachtpatroon (dit is het lengteverschil tussen de dekharen op de kop en de nek, het lichaam en de nek en aan de voor- en achterzijde van de poten) is op het lichaam niet duidelijk herkenbaar, maar aan de poten, kop en staart wel. Nergens op de hond zijn de dekharen dusdanig lang dat we kunnen spreken van bevederingen, maar we zien wel de aanzet tot deze zoals we die kennen van de langharige vachttypes.
Stokhaar: We zien in principe dezelfde vacht als op het Nordic Stokhaar, maar met dit verschil dat op het lichaam het haar veel minder uitstaat. Dit komt door de mindere hoeveelheid van wolharen. Hierdoor is ook het natuurlijke vachtpatroon duidelijker te herkennen en zien we dus een vlakaanliggende rugbeharing en een meer uitstaande nek- en halsbeharing naast de duidelijk herkenbare verschillen in lengte van het dekhaar op de poten, staart en de kop.
Gladhaar: Hier zien we een over het gehele lichaam een glad aanliggende vacht. Er is sprake van een lichte langere groei van het dekhaar aan de achterzijde van de achterbenen en de onderkant van de staart. Verder is er van het natuurlijke vachtpatroon weinig te zien tenzij we van heel dichtbij kijken. In dit type vacht is er nog wel ondervacht aanwezig, zeker in de volle wintervacht, maar nergens in een dusdanige hoeveelheid dat het "volume" gaat geven of zelfs zorgt voor uitstaande dekharen.
Korthaar: Over het gehele lichaam zien we een strak aanliggende korte vacht die nergens langere haren toont die duiden op de aanwezigheid van een natuurlijk vachtpatroon. We zien wel een aanleg van een natuurlijk vachtpatroon als we van dichtbij kijken naar met name de kop. Ondervacht is in een heel geringe mate aanwezig en dan in een dusdanige hoeveelheid dat we het met het blote oog bijna niet kunnen zien. Wel zien we in de periode van vroege anagen in het voorjaar een verkleuring van het (dode) onderhaar dat bewijst dat er wel degelijk onderhaar in de vacht aanwezig is.
Tot zover de vachttypes die we ook wel in de natuur tegenkomen. Door de selectieve fok door de mens van de hond zijn er meerdere (langere) vachttypes ontstaan. De diverse vachttypes zijn overigens niet (alleen) het resultaat van mutaties, maar uit onderzoek is gebleken dat als de selectiecriteria anders worden dan alleen maar het overleven van de soort (bijvoorbeeld aanleg voor trainbaarheid) er andere vachttypes en kleurpatronen "ontstaan" of zichtbaar worden. Dit onderzoek is gedaan op de Vulpes Vulpes oftewel de vos zoals wij die kennen in zijn (bijna) uniforme rode kleur.
Als we dan verder gaan met de indeling van de vachten en we kijken in eerste instantie naar de "dubbele" langharige vachten dan zien we dat de "korte" vachten eigenlijk allemaal een lange variant hebben.
Langharige Dubbele
vachttypes.
Nordic Langhaar: Zoals de naam al aanduidt, hebben we te maken met de lange variant van het Nordic Stokhaar. Door de langere dekharen en wolharen gaat soms het uitstaande effect wat verloren maar we kunnen wel zien dat met name op de zijkanten de ratio tussen het wol- en dekhaar dusdanig is dat de vacht dicht bij het lichaam uitstaat. Het natuurlijke vachtpatroon is wel weer duidelijk te herkennen: de kop, poten en bovenkant van de staart vertonen duidelijk "kortere" haren. We zien een duidelijke "broek" en "bevedering aan de poten en de onderkant van de staart.
Langhaar: Bij dit vachttype zien we dat er sprake is van een duidelijke kraag, dat wil zeggen dat de haren rondom de nek en hals, duidelijk langer zijn dan de haren op het lichaam. We zien een duidelijke hoeveelheid wolharen die op sommige plekken bijna net zo lang kunnen zijn als de dekharen zodat we weer het uitstaande effect van de vacht krijgen. Een duidelijke broek en bevedering en de kortere vacht aan de voorzijde van de voor- en achterpoten en de kop zijn tekenen van het natuurlijke vachtpatroon.
Lang Stokhaar: Als we kijken naar de naam zouden we ervan uitgaan dat het zich hier handelt om de lange variant van stokhaar. Maar als we kijken naar het natuurlijke vachtpatroon, en dan met name op de nekregio, dan kunnen we eigenlijk beter spreken van de lange variant van het gladhaar. Zoals al gezegd, hebben we wel een natuurlijk vachtpatroon van kortere en langere dekharen op het hoofd, de poten en de staart, maar hebben we een nekbeharing die aansluit bij de lichaamsbeharing en zien we dus geen "kraagvorming" maar wel duidelijk langere beharing aan de halszijde van de hond. Ondervacht is aanwezig maar nooit zo lang dat het de lengte van het dekhaar evenaart of overschrijdt.
Tot zover de indeling van de "normale" (dubbele) vachten. Alhoewel ze duidelijk verschillen in uiterlijk, hebben ze als gemeenschappelijke factor dat ze onder normale omstandigheden (normaal bioritme, normale en intacte hormoonhuishouding en een normale verzorging) een blok-/bandverharingspatroon hebben. Ook hebben ze allemaal een duidelijk natuurlijk vachtpatroon van lengteverschil in de dekharen.
De Ruigharige vachten
Een kenmerk van de ruigharige vacht is dat normaal gesproken de periode van vroege anagen gelijk is over het gehele lichaam maar niet via de normale weg kan uitgroeien naar de anagenfase. Met andere woorden, de clubhaar wordt niet uit de haarschacht geduwd door de nieuwe haar, maar "blokkeert" de weg. De verharing verloopt dus niet natuurlijk. Vroeger was het zo dat de ruigharige honden veelal gebruikt werden voor verschillende vormen van de jacht en de wat ruigere beharing bood bescherming tegen takken en doorns van struiken waar de hond doorheen moest tijdens zijn werk. Tegenwoordig leven de meesten ruigharige honden het leven van een huishond en is de noodzaak van bescherming er niet meer. Maar de vacht weet dat niet en heeft zich ook niet (daarop) aangepast. Dus moeten de ruigharige honden geplukt worden, een soort handmatig verharen zullen we maar zeggen. Maar goed, de ruigharige vachten zijn onderverdeeld in de volgende types:
Broken draadhaar: Dit is de meest originele vorm van de ruigharige vachten. We zien een vacht die zo aangesloten ligt als bij de gladhaar maar met een "waas" van ruwe haren er bovenop. Deze haren zijn harder en langer dan bij het Gladhaar vachttype en zitten ook relatief los. De draadharige laag van dekharen is nooit zo dicht ingeplant dat we kunnen spreken van een strakke aanliggende draadharige vacht. We kunnen in dit vachttype het broken draadhaar tegenkomen, variërend van een lichte snor en baard tot en met een compleet bedekte hond met draadharig haar, maar altijd zijn de ruige haren "open" van structuur.
Draadhaar: Bij dit vachttype zien we een duidelijke aaneengesloten draadharige vacht als de hond relatief kort in vacht zit. Als de dekharen langer worden kan de vacht wel open vallen maar de wolharen worden/zijn niet langer. Bij de langere delen op de poten en het hoofd kan het voorkomen dat bij voldoende lengte de wolharen langer worden en zich gaan mengen met het dekhaar waardoor volume ontstaat. De wolharen (ondervacht) is goed verdeeld over de hond en is relatief kort van lengte, de dekharen vormen een aparte laag (bovenvacht) die afhankelijk van de vacht behandeling in laagjes kan groeien.
Wordt de hond met dit vachttype 2 X per jaar geplukt (normaal verharingsritme) dan zien we een duidelijke 2-delige vacht: een laag wolharen en een laag dekharen. We zien geen natuurlijk vachtpatroon, de haren van de hond (en dan met name de dekharen) groeien uit tot hun genetische lengte over de gehele hond.
Ruwhaar: De algemene verschijning van dit vachttype is dat van ruigharige hond. De vacht is enigszins open in structuur. Dit komt doordat de wolharen in lengte overeenkomen met de lengte van de dekharen en er dus een mengeling is van dek- en wolharen. Doordat de vacht meer open in structuur is en de haren ook meer in een mozaïekpatroon verharen (willekeurige stadia van de levenscyclus van het haar verdeeld over het lichaam van de hond) zien we vaak meerdere lagen van dek- en wolharen zonder dat daar door mensenhanden aan gewerkt is. Het natuurlijke vachtpatroon is eigenlijk niet meer herkenbaar: het haar heeft de eigenschap over het gehele lichaam even lang te worden.
De krulharige en kroesharige
vachten
Deze vachtgroep bestaat uit 2 vachttypes, het ene heeft een open structuur en de andere een een duidelijk gesloten structuur. Typisch voor deze vachten is het mozaïek verharingspatroon. Door de structuur van de vacht vallen de dode haren er niet uit zodat dit soort vachten ook nogal eens hypoallergeen (niet allergisch) genoemd worden. Technisch gesproken is dit niet juist, maar doordat de haren niet uit de vacht vallen, worden rassen met deze vachttypes vaak wel verdragen door mensen die allergisch zijn voor honden.
Doordat deze vachttypes een mozaïekverharing hebben, lijkt het alsof de vacht doorgroeit tot een niet nader te bepalen lengte. Technisch gesproken is dit niet correct, het haar groeit tot de genetische lengte en sterft dan af, doordat dit willekeurig gebeurt, kunnen we niet precies van te voren zeggen wat de uiteindelijke lengte van de vacht zal zijn, noch hoeveel de vacht zal groeien in een bepaalde tijd. Het lijkt alsof we geen verschil hebben tussen de dekharen en de onderharen, zeker als de vacht kort is, maar als we de vacht hebben uitgeborsteld dan kunnen we zien dat we wel degelijk dek- en wolharen hebben.
De gebruikelijke behandelmethodes voor deze vachtgroep is scheren dan wel knippen. Typisch daarbij is dat de structuur van de vacht nagenoeg niet veranderd door het knippen en/of scheren, waar dit bij andere vachten wel het geval is.
Kroesharig: Dit vachttype is gesloten in de structuur, zeker als het kort is. Dat er wel sprake is van een dubbele vacht is vooral te zien als de vacht uitgeborsteld is. Dan zien we dat er wolharen en dekharen zijn, ook dat de wolharen doorgaans iets korter zijn als de dekharen. Met uitzondering van de Curly Coated Retriever, zien we bij de rassen die dit vachttype hebben geen natuurlijk vachtpatroon. De mozaïekverharing zorgt ervoor dat er continue haren loslaten die (door de structuur van het haar) in de vacht blijven hangen. Dit houdt in dat we bij deze vachttype vrij veel onderhoud hebben om het klitvrij te houden. Door de afstaande structuur van het haar is er nauwelijks sprake van dat we de haargroeirichting kunnen zien, tenzij het haar erg kort is.
Krulharig: In tegenstelling tot de kroesvacht zien we bij dit vachttype een open structuur. De vacht hangt golvend langs het lichaam. De werkelijke structuur van het haar kan verschillen per ras, meestal zijn we een vrij zijdeachtige structuur. Net zoals bij de kroesvacht hebben we vrij veel borstelwerk om de vacht klitvrij te houden. Bij een uitgeborstelde vacht zien we ook hier verschil in lengte van het dekhaar en de wolharen. Omdat deze beiden zeer dicht bij elkaar liggen qua structuur, is het verschil tussen de dek en wolharen nauwelijks te zien.
Zijdevachten: Het vachttype zijdevacht lijkt het meeste op menselijk haar. We zien nauwelijks verschil tussen het dekhaar en de wolharen, maar als we de vacht gaan inkorten of de hond castreren dan wordt het verschil duidelijker door de verandering in de structuur van de dekharen. We zien totaal geen natuurlijk vachtpatroon, het lijkt alsof het haar over de gehele hond gewoon lang groeit. Bij de rassen die dit vachttype hebben, zien we meestal vachten tot op de grond als ze geshowd worden. Bij de huishonden worden dit soort vachten vaak kort(er) gehouden in een soort "puppie"-modelletje. Typisch voor dit vachttype is ook de mozaïekverharing. Rasvoorbeeld voor dit vachttype is de Yorkshire Terriër.
Spanielvachten: Het vachttype Spanielvacht is een beetje een vreemde eend in de bijt. Niet alleen zien we verschillende soorten haren en structuren op de hond, ook de behandelmethodes zijn divers. We zien op het lichaam een vlak aanliggende vacht. Qua structuur lijkt de vacht wel een beetje op een kort gebleven zijdevacht, met andere woorden het haar lijkt ook weer een beetje op ons haar. We zien bij de schaarser behaarde Spaniels een duidelijk natuurlijk vachtpatroon. De lange delen van de vacht hebben een zijdeachtige structuur, maar het gaat te ver te zeggen dat deze haren ook de eigenschappen hebben van dit vachttype. Beter kan men stellen dat de bevedering de eigenschappen heeft van het krulharige vachttype. Het lichaam heeft een beperkte vachtgroei terwijl de bevedering veel langer groeit. Je zou dit vachttype ook een combinatievacht kunnen noemen. Wel typisch is dat we in dit vachttype een mozaïekverharing zien.
Haarloze honden: Bij de haarloze honden zien we meestal wel een vorm van (schaarse) lichaamsbeharing. Dit is vooral duidelijk bij de Mexicaanse en Peruaanse naakthonden. De haren die we zien hebben de eigenschappen van de gladhaar. Bij behaarde exemplaren van deze rassen zien we ook dit vachttype op de gehele hond. Bij de Chinese Naakthond zien we een wat meer overvloedige beharing aan de uiteinden van de hond (voeten, staart en hoofd). Het haar dat we hier zien heeft de eigenschappen van de zijdevacht. Dit is ook het vachttype wat we zien bij de behaarde exemplaren die Powderpuff genoemd worden.
Vilt- of Koordvachten: Technisch gesproken is dit geen vachttype maar een verschijningsvorm. Iedere vacht met onderhaar en een mozaïekverharing kan in deze stijl worden gedaan. Het is een stijl die enorm veel onderhoud vergt en de honden ruiken ook niet altijd even ‘fris’.

